woensdag 4 december 2019

Velkommen ut!

Na Pasen moest ik nog één keer terug naar Oslo voor de laatste paar bestralingen. 
In het ziekenhuis moet je tot vervelens toe voorafgaand aan elke handeling je geboortedatum en je persoonsnummer opdreunen, bij wijze van identiteitscheck denk ik. 
Zo ook bij radiologie; op de laatste dag grapte de dienstdoend radioloog 'når er du født i dag?', 'wanneer ben je vandaag (weer eens) geboren?', en zo kregen hij en de assistent en ik alledrie de slappe lach - niet handig als je doodstil moet liggen onder die machines!

In het ziekenhuis kreeg ik nog wat adviezen en aanwijzingen en aan het einde van het ontslaggesprek zei de oncoloog opgewekt 'velkommen ut!', onmogelijk in goed Nederlands te vertalen, maar zoiets als 'welkom er uit / naar buiten!'. Grappig.

Zo volgde het afscheid van UllevålI: hartelijke omhelzingen van Elisabeth, de drie Maria's, Anna en nog een aantal verpleegkundigen op de opnameafdeling, ook van de Sri Lankaanse schoonmaakster die zo nauwgezet mijn kamer had schoongehouden, en van Sarah, die elke dag even een praatje kwam maken in het patienthotell. Ze had tranen in haar ogen toen ze zag dat ik mijn kamer had ontmanteld: de vele kaarten van de muur gehaald, de denneappels en de stektakjes weg van de vensterbank, mijn kleurige wol ingepakt. 'Jouw kamer was de gezelligste van de verdieping', zei ze, 'altijd muziek, bloemetjes en een lekker geurtje; ik ga onze gesprekjes missen!'. 
En zo was het al met al een beetje een emotioneel afscheid, van het kleine wereldje waarin ik 7 weken had gewoond, en het kerkhof en de tuinen waar ik zoveel had rondgestrompeld.


kaarsjes en plantjes bij het columbarium,

en stijlvolle naamplaatjes;


een trouw verzorgde grafsteen, naast het bankje waar ik 's morgens graag zat,


beelden in het park tussen de verschillende klinieken.
Op elk van de afdelingen waar ze me met zo veel liefde en aandacht hadden verzorgd kon ik de cadeaupakketjes achterlaten die ik thuis had klaargemaakt: potjes jam, marmelade, chutney, mosterd en zo, in spanen mandjes met een strik er omheen en een kaartje erbij.  

De touringcar en de taxi brachten me naar huis. 
Een paar weken eerder had Henk al via het ziekenhuis in Skien gezorgd voor een rugzakje met toebehoren, zodat ik thuis kon doorgaan met de sondevoeding, omdat normaal eten me nog lang niet lukte.



De flessen voeding en de bijbehorende slangen, per e-mail besteld, werden vanaf die dag elke paar weken met een kleine vrachtwagen thuisbezorgd. 

En toen begon de lente langzaam maar zeker terrein te winnen. Het ijs op het meer trok zich steeds verder terug,



ik haastte me om bloemen- en kruidenzaad te zaaien in de vensterbank - veel te laat,


maar het proberen waard, en kon hier en daar wat al bloeiend spul uit het grind plukken om in potjes op het balkon en bij de voordeur te kunnen zetten.



De rododendron, pruimenboom, seringen, alles begon te bloesemen, en in de tuin verscheen een incidentele tulp, terwijl zelfs de lupines al de kop opstaken. Ik heb er nog nooit met zoveel ver- en bewondering naar gekeken als in dit voorjaar...

de oude pruimenboom,
euphorbia's,


Binnen een week na mijn thuiskomst konden we de eerste logee van dit jaar verwelkomen: broer Bert ondernam de tocht met zijn knalgele auto, 


en trof het bijzonder met het weer. Ontbijt (met verse eitjes van eigen kippen) in de zon op het balkon, 


en met borreltijd op het terras, waar ook de kippen rondstapten.


Het waren een paar dagen van intensief bijpraten, foto's kijken van vroeger, en veel lachen. Na zijn vertrek volgden er nog een hele reeks logees - waarvan later verslag.





maandag 25 november 2019

With a little help from my friends

Het zouden eenzame tijden geweest zijn, die vijf weken alleen in het patienthotell, na twee weken ziekenhuisopname. Dat zouden ze zijn geweest, zonder het legertje trouwe vrienden, dat mij in Oslo kwam opzoeken. Wat een verwennerij: elke week was er wel iemand bij me! 
Dat bezorgde me de heerlijke wetenschap dat ik veel goede vrienden heb, die me niet in de steek laten.

Zo kwam vriendin Ria me vanuit Utrecht een paar dagen gezelschap houden, met, op z'n Ria's, een grote tas vol kleine cadeautjes, waarvan ik er elke dag eentje mocht uitpakken. 



Het gezelschap gaf me ook de broodnodige afleiding, want de dagen in het patienthotell waren lang en eentonig. Wel moest ik elke dag over het terrein van Ullevål stukjes lopen, naar de dagelijkse bestraling, naar de chemoafdeling voor een paar uur gif via een infuus, naar de longafdeling voor een gesprek met een van de oncologen, of met de voedingsdeskundige, naar het laboratorium voor bloedafname, of voor bloedtransfusie, toen ik nauwelijks meer op m'n benen kon staan van de bloedarrmoede.



Maar voor het overige had ik (eindelijk!) volop tijd voor boeken en brei-en haakwerk - ik kon ongegeneerd urenlang lezen en handwerken, omdat alledaagse bezigheden als huishouden, boodschappen, eten koken en dieren verzorgen vielen al die tijd weg...Eigenlijk best fijn, voor een poosje. 



Maar het bezoek bood me ook een ondersteunende arm om kleine wandelingetjes te kunnen maken door de parken op het terrein, en natuurlijk over het kerkhof. 



Toen Ria was vertrokken arriveerden oude vrienden Toine en Corrie, die Den Bosch even achter zich lieten om mij, en nu ze er toch waren ook een stukje van Oslo te zien. In de parkjes en op het kerkhof zagen we het heel langzaam voorjaar worden - ik kon zo nu en dan een piepklein bloemetje plukken en takjes voorzichtig uitbottende kastanje in een glaasje zetten.






Twee keer mocht ik nu een weekendje naar huis. Om te voorkomen dat Henk telkens vrij moest nemen om mij uit Oslo te halen en zondagavond weer terug te brengen kon ik gebruikmaken van het patiëntenvervoer, dat is hier prima geregeld. 

Vrijdagmorgen na de bestraling een grote touringcar in, die vanuit het Ullevålziekenhuis bij twee andere ziekenhuizen patiënten ophaalt en op diverse plaatsen afzet. Vaak bij benzinestations langs de snelweg, waar dan familieleden of taxi's de patiënten opwachten om verder naar huis te brengen. In mijn geval kwam ik met de bus niet verder dan het stadje Porsgrunn, vanwaar dan een gereedstaande taxi mij over de slingerende provinciale weg naar Henseid bracht. Heel comfortabel - maar al met al wel een reis van meer dan vier uur...Maandagmorgen in alle vroegte op dezelfde manier terug, naar mijn kleine appartementje.



Uitzicht op het Ullevålterrein, vanuit kamer 808, dus op de 8e verdieping (en niet de 7e, zoals ik vorige keer schreef). 

Waar het op de grond en aan de bomen langzaam voorjaar werd, trad op mijn hoofd nu ontegenzeggelijk de herfst in. De lange lokken bleven in mijn kam hangen, maar echt helemaal kaal ben ik gelukkig niet geworden. 



Toen Henk een weekendje in Oslo kwam logeren konden we samen op een zonnige middag even door een levendige winkelstraat in het centrum lopen, op zoek naar een sjaal die ik om mijn koude hoofd zou kunnen draperen. In het ziekenhuis lopen veel mensen met een gebreide ijsmuts op, maar dat gaat me iets te ver. Dan liever op z'n moslima's een charmant geknoopte, kleurige sjaal om dat gekke hoofd! 
Toen bleek dat de opruiming was uitgebroken konden we meteen voor een prikkie een paar nieuwe shirts en een trui kopen voor mij. Wat een belevenis, om weer eens tussen niet zieke mensen te lopen, langs gezellige terrasjes en restaurantjes!



Intussen zorgden de buren en vriendin Marit om beurten trouw voor de poezen en de kippen, zoals ze al die keren dat Henk een nacht weg was hebben gedaan. Dat was lief. En toen hij een weekend alleen thuis was nodigden ze hem en Marit uit voor een etentje - vanwaar ze een fotootje naar mij appten. 


Ik had het trouwens al die tijd ook druk met de telefoon: veel vrienden en kennissen vriendinnen die niet op bezoek konden komen lieten op ander manieren van zich horen via Whatsapp. Ze stuurden naast berichtjes ook vaak foto's van wat hen bezig hield, kinderen en kleinkinderen, huisdieren, bloemetjes in de tuin en ga zo maar door. Die dingen hielden me bij de les en beurden me op. Doorbraken een beetje de sleur. Zoals ook het bezoek van vriendin en oud-studiegenoot Ingrid en haar man Norbert, uit Keulen:

  


Zij exploreerden 's morgens de stad, en namen mij 's middags mee kleine stukjes uit wandelen, vanzelfsprekend over het kerkhof - bij gebrek aan andere mogelijkheden. Maar er zijn ontroerende grafmonumenten te zien,


en protserige 19e eeuwse beelden op grafkelders van voorname Osloërs. 


In diezelfde week kwamen oud-collega Johan en zijn vriendin Fleur mij opzoeken. Ze maakten er een heuse stedentrip van, en met het benutten van het goed geregelde openbaar vervoer in de stad zagen ze in die week meer van Oslo en de musea dan wij ooit hebben gedaan...en in de avonden kwamen ze gezellig bij mij, waar na een goed gesprek bij een lekker glaasje wijn hun foto's konden bekijken.  



En toen werd het eindelijk Pasen, ging het personeel van het patienthotell naar huis, en ik dus ook! Voor dat weekend dan. 




maandag 18 november 2019

Behandeling en bezoek

Die maandag moest ik me melden in het ziekenhuis voor bloedafname, en bij het radiologiegebouw voor de eerste bestraling. Daarna zou ik gewoon weer teruggaan naar mijn hotelkamer, maar dat ging niet door: mij werd zonder pardon te verstaan gegeven dat ik onmiddellijk in een ziekenhuisbed moest gaan liggen. Tegensputteren hielp niet - ik kreeg  niet eens de tijd om tandenborstel of nachtjapon en dat soort dingen te gaan halen! Hup, een bed in, op een grote tweepersoonskamer, aan het raam. En van daar werd ik met bed en al naar allerlei verschillende afdelingen getransporteerd.



Het duurde de hele verdere dag en avond. De helft ben ik vergeten, of is door de talrijke roesjes en narcoses nooit helemaal aangekomen....In elk geval werd er de zoveelste gastroscopie gedaan, er werd een sondeslang door mijn neus ingebracht naar mijn maag, ik ging de tunnel in voor een PET-scan, en er werd een infuus in mijn arm aangelegd. 



Waarom alles plotseling zo'n haast had en eerder in gang werd gezet dan was gepland werd ons pas vele maanden later verteld. De mallemolen draaide ineens op volle toeren.




Zo lag ik van het ene op het andere moment plotseling aan allerlei slangen gekoppeld en kwam er om de haverklap iemand om alles te controleren: bloedddruk, bloedwaarden, gewicht, reflexen en weet ik al niet wat meer. Een drukte van jewelste! 

Maar ze waren allemaal zeer lief en meelevend, de verpleegkundigen en artsen. 
Ergens die dag stortte ik een beetje in van alle commotie. Zat ik ineens zachtjes te snikken op de rand van mijn bed. 'It's allright to cry', zei Elisabeth, 'it means that you can feel!', terwijl ze naast me ging zitten en een arm om me heen sloeg en met een puntje van mijn vest mijn wangen droogde.  
Elisabeth komt uit Birma, spreekt goed Noors maar begrijpt dat voor mj Engels zo nu en dan makkelijker is. Ze is een van de meest invoelende en zorgzame verpleegkundigen van de afdeling. Bij die eerste ontmoeting beloofde ze dat ze, elke keer als ze dienst had, me een knuffel zou geven, een hug, of in het Noors: een 'klem'. En daar heeft ze zich aan gehouden, al die lange weken lang!

Die nacht was een ramp: slangetjes die losraakten door mijn gewoel, nachtmerries in een vreemd en doorweekt bed dat om een uur of 3 verschoond moest worden, slaapwandelend naar het toilet met de kapstok op wielen waaraan de flessen hingen achter me aan, en overal die grote spinnen rondom me - maar niet heus. Ik zag van alles dat er niet was, en praatte tegen mensen die er niet waren. Mijn kamergenote liet middenin de nacht voor het eerst van zich horen; 'det er ikke lett', zei ze van achter het kamerscherm, 'het is niet makkelijk'. Onderkoeld, meelevend bedoeld Noors.


De volgende dag bracht zon, en bezoek voor mij. 
Nicht Anne vloog vanuit Trondheim, waar ze toen woonde, naar Oslo, om mij een paar dagen gezelschap te kunnen houden. Dat was fijn, een vertrouwd en geliefd iemand die naast mijn bed zat en mijn hand vasthield, terwijl het chemogif mijn aderen indruppelde. Ze moest weliswaar mijn vreemde hallucinaties aanhoren, maar ze kon ook meeluisteren naar wat de oncologen kwamen vertellen, en begreep daar meestal meer van dan ik. 


Anne had een pensionkamer vlakbij het Ullevål, haalde kleren en andere spullen voor mij op uit het patienthotell, en winkelde voor mij wat kleren bij elkaar: warme leggings, sokken en ondergoed. En ze bracht een pakketje mee van haar ouders in Duitsland, met lieve cadeautjes. Niet te vergeten ook het door een vriendin gemaakte troostpopje, in Noorse klederdracht.

Ondanks de rare omstandigheden hebben we samen ook flink gelachen, korte wandelingetjes gemaakt, en zijn we in de ochtenden samen naar de bestralingsbunker gelopen. Ze hielp me met het invullen van de schema's waarop elke dag moest worden ingevuld wt en hoeveel ik at en dronk.


Anne werd in het weekend afgelost door Henk, die in alle eenzaamheid zijn verjaardag voorbij had zien gaan....Hij kon slapen op mijn kamer in het patienthotell en eten in het restaurant daar. Toen de eerste driedaagse chemokuur was afgelopen konden we samen stukjes wandelen over het besneeuwde kerkhof, waar idylische plekjes te vinden zijn.


Een aantal oorlogsgraven van ons onbekende Noorse verzetshelden, maar ook een met een heg omheind veldje waar Noorse diakonessen begraven liggen, met bij elk bescheiden steentje een klein dennenboompje. 

Toen Henk weer naar Henseid was vetrokken kreeg ik gelukkig opnieuw gezelschap, ditmaal uit Nederland.Vriendin Roely arriveerde om een paar dagen aan mijn bed te zitten. Het ziekenhuispersoneel constateerde met bewondering dat mijn vrienden van over de grens mij niet alleen lieten! 

Roely liep een verkoudheid op en mocht alleen met een mondkapje de afdeling op....Ze kwam met een tas vol afleiding: tijdschriften, kaartjes en luisterboeken, meegegeven door andere oud-collega's uit Utrecht. En aan haar arm kon ik af en toe even naar buiten, al werden de wandelingetjes steeds korter - veel meer dan van de uitgang van het ziekenhuis naar een bankje verderop werd het niet... 

Ook Roely moest voor mij boodschappen doen bij een kledingwinkel; gelukkig had ze een B&B vlakbij een winkelstraat, kon ze in een half uur lopend het ziekenhuis bereiken en heeft ze in die paar dagen tussen de bezoeken door ook een en ander van Oslo centrum kunnen zien, 

en van het mooie weer kunnen genieten op een terrasje in de stad.


Net als Henk trouwens, die voor het eerst weer thuis even op het balkon kon zitten.

Van die weekends naar huis kwam die weken niets terecht. De ene keer had ik koorts, de andere keer een keelontsteking waardoor ik niet kon slikken en ik het helemaal met sondevoeding moest doen, en dan vonden ze me weer te zwak om te reizen. 
Maar uiteindelijk mocht ik dan wel het ziekenhuisbed uit en terug naar het patienthotell!

Dat had nogal wat voeten in de aarde, want mijn oorsponkelijke kamer was gereserveerd voor iemand anders, Henk had die moeten leegruimen en mijn hele hebben en houwen in opslag moeten geven. Nu kregen we een kamer op de 7e etage, waar dag- en nachtverpleging is, met uitzicht op dit keer niet het kerkhof maar op het uitgebreide ziekenhuisterrein en de skyline van Oslo op de achergrond. Wel met hetzelfde vogeltjesbehang...